We zijn opgegroeid met het idee dat tijd een lijn is – een spoor waarop we voortrazen. We “hebben geen tijd”, we moeten “inhalen”, “bijbenen”. Het is een taal van tekort en ons zenuwstelsel is deze taal gaan geloven. Het heeft zich ingesteld op een race die nooit klaar is en blijft daardoor in een lichte staat van alarm (stress!!!!) ook als er, op dit moment, niets dreigt.
Er is ook een andere manier om naar tijd te kijken: niet als lijn, maar als ruimte. Als een kwaliteit van het moment waarin je je bevindt. In oude wijsheidstradities wordt vaak geen onderscheid gemaakt tussen tijd en plek – samen vormen ze het weefsel waarin iets zich afspeelt. En dat weefsel heeft een ritme: het ademt, golft, kent eb en vloed, net als het lichaam, net als de seizoenen.
Vanuit die blik is tijdsdruk niet alleen een kwestie van te veel te doen. Het is ook een verstoring van wederkerigheid. We nemen tijd, maar geven niet terug. We trekken uit het lichaam, uit aandacht, uit adem – zonder dat er iets terugstroomt. En wat zich daardoor opstapelt, is spanning: in de schouders, de kaak, de buik, het zenuwstelsel, wie kent het niet?
Surrender to life betekent niet “minder doen” of “tijd loslaten” – dat is vaak niet realistisch en ook niet nodig. Het betekent: tijd weer behandelen als iets waarmee je in relatie staat. Iets dat je niet alleen gebruikt, maar waaraan je ook teruggeeft.
Voor mij is er een eenvoudige manier om hier regelmatig aandacht aan te besteden, heb ik gemerkt: ik leg mijn hand op mijn hart. Ik voel dan de warmte, de lichte druk, de adem die daaronder beweegt. Het is een klein moment van thuiskomen en mijn zenuwstelsel herkent het direct.
Dit voelt als niet vechten tegen de klok, maar af en toe – met de hand op het hart – de tijd teruggeven aan het leven waar het vandaan komt.
