Vandaag denk ik aan het hart als aan mycelium. Onzichtbaar tot het zich meldt. Een netwerk dat al die jaren zijn eigen tempo heeft gevonden, ondergronds, zonder dat ik ernaar keek. En dan, soms, een onregelmatige klop – als een draad die zich even anders vertakt dan verwacht.
Ik heb geleerd overzicht te houden. Alles te zien, de missie te dragen, waakzaam te blijven zodat niets me ontglipt. Dat heeft me gebracht waar ik nu ben. Maar een lichaam dat jarenlang alert staat, vergeet soms hoe het zich ontspant zonder dat er eerst iets afgerond moet worden.
De dag met de hartmeter op mijn lijf voelde als een klein experiment in gezien-worden. Ik merkte de spanning die het meten zelf opriep – alsof waakzaamheid waakzaamheid voedt. En toen de meter eraf ging: een golf van opluchting. De dag erna was zachter, ruimer. Mijn lijf liet me iets zien wat ik al vermoedde.
Mycelium groeit niet in een rechte lijn naar een doel. Het vertakt, wacht, verdicht zich waar voeding is, trekt zich terug waar het droog is. Misschien is dat het ritme dat ik oefen: niet rust als beloning na het werk, maar rust die tussen de draden door groeit, onderdeel van het netwerk zelf, niet een pauze erbuiten.

