De laatste dagen herinner ik me weer hoe het voelt als de draden van het netwerk loskomen van elkaar. Ruimte ertussen. Licht ertussen. Gedachten die langs kunnen glijden zonder te blijven hangen.
Wij zijn deel van het levende universum, dat voortdurend pulseert tussen samenvloeiing en openheid. Het mycelium onder de grond werkt zo: een onzichtbaar web van losse draden die met elkaar communiceren juist dankzij de ruimte ertussen. Geen lucht, geen signaal.
Afgelopen week voelde ik me wat meer samengetrokken. Mijn lichaam trok iets meer samen – geen beweging meer, geen doorlaatbaarheid. Wat van buiten kwam kaatste af op een harde buitenste laag. Ik was er niet echt bij. Wel aanwezig, maar achter glas.
En toen – langzaam, bijna ongemerkt – begon mijn lichaam weer te ademen.
Alsof er weer verfijnde, lichte energie was, die de iets zwaardere, samengeperste energie verzachtte. Geen oordeel hoor: het is niet slecht, het is gewoon dichtheid die zijn tijd nodig heeft. Dichtheid die soms aan iets ouds herinnert. Ervan bewust, kan ik het naar beneden laten wegvloeien. De aarde verwerkt het, maakt er voeding van.
Zo ook nu. De bal opende zich weer. Cellen begonnen te ademen. Er kwam weer ruimte voor het onverwachte – een gedachte, een ontmoeting, een moment van echte aanwezigheid.
Wij zijn net als het mycelium. Levend, verbonden, doorlaatbaar.

